Hart- en vaatziekten (Cardiologie): Onderzoek en diagnose

campus Sint-Augustinus - route 171 

campus Sint-Vincentius - route 175 

campus Sint-Jozef - gelijkvloers 

Echografie

Voor een echo van het hart, maken we gebruik van geluidsgolven. Er bestaan drie soorten echografieën voor het hart, namelijk: een echocardiografie via de borstkas, een echocardiografie via de slokdarm en een dobutamine-stress-echocardiografie

Echocardiografie via de borstkas

De arts kijkt met een probe via de borstkaswand naar de structuur en de werking van het hart. Door weerkaatsing van de geluidsgolven ontstaat een bewegend beeld van het hart en de kleppen. Zo verkrijgen we informatie over de verschillende kamers van het hart, de wand- en de klepbewegingen en over eventuele afwijkingen. 

Gelijktijdig wordt een doppler meting gedaan. Hiermee wordt de bloedstroomsnelheid over de hartkleppen gemeten. Dit is een routineonderzoek dat bij de meeste  cardiologische nazichten gebeurt. Er is geen enkel risico aan verbonden en er is geen voorbereiding nodig.

Echocardiografie via de slokdarm (trans- oesofagale echocardiografie, TEE)

Een echografie via de slokdarm laat toe om het hart meer in detail te bekijken. Vaak wordt het onderzoek gedaan bij hartritmestoornissen of vermoeden van infecties in het hart. We brengen onder plaatselijke verdoving een slangetje (endoscoop) in de keel.

Voor dit onderzoek moet je nuchter zijn en plaatsen we een infuus in de arm. Je keel wordt verdoofd met een spray en er we dienen meestal een lichte verdoving toe. Na het onderzoek moet je 2 uur wachten met eten en drinken, omdat er een risico op verslikken bestaat.

Dobutamine stress echocardiografie

Tijdens dit onderzoek nemen we een echografie terwijl dobutamine wordt toegediend via een infuus in de arm. Door deze medicatie gaat het hart sneller slaan, hierdoor wordt een fysieke inspanning nagebootst. Bepaalde afwijkingen worden pas zichtbaar bij inspanningen van het hart, zoals mindere beweeglijkheid van een bepaalde zone, wat op zuurstof tekort kan wijzen. 

We plaatsen elektroden op de borstwand en een infuus in de arm, waarlangs we medicatie kunnen toedienen. Tevens volgens we de bloeddruk nauwkeurig op. Als er klachten optreden is het belangrijk dit aan de arts te melden. Het onderzoek duurt ongeveer 45 minuten. Nadien kan je je wat moe voelen.

Electrocardiogram (ECG)

Een elektrocardiogram (afkorting ECG of in de volksmond hartfilmpje) is een registratie van de elektrische signalen afkomstig van de hartspier. Met een elektrocardiogram kunnen we het hartritme bepalen en de diagnose stellen van een hartziekte zoals bijvoorbeeld een hartinfarct.

Met electroden via zuignapjes op de borstkas, armen (schouders) en benen (heupen), verbinden we het lichaam met de elektrocardiograaf (een soort computer). In minder dan 1 minuut maken we een hartfilmpje. Een elektrocardiogram is pijnloos en zonder risico’s. Tijdens het onderzoek moet de patiënt goed stilliggen om de meting van de hartspieractiviteit niet te verstoren door het samentrekken van andere spieren.

Tilttest of kanteltest

Een tilttest is een onderzoek dat wordt uitgevoerd om de oorzaak van frequent flauwvallen te onderzoeken. De patiënt neemt plaats op een onderzoekstafel die we tijdens het onderzoek rechtzetten. Dit bootst een situatie na waarbij men lang moet rechtstaan. Het hartritme en de bloeddruk volgen we tijdens de test continu op. Zo kunnen we een vertraging van het hartritme of een bloeddrukval detecteren. De test duurt ongeveer 45 minuten. 

Coronarografie

Een coronarografie is een onderzoek van de kransslagaders (bloedvaten van het hart). Via een bloedvat ter hoogte van de pols of de lies schuift de cardioloog een katheter (plastic buisje) op tot aan het hart. Door middel van contraststof en röntgenstralen komen de kransslagaders dan in beeld. Op deze manier kijken we of er vernauwingen zijn ter hoogte van de kransslagaders. De pompfunctie van het hart kan eveneens in beeld gebracht worden. Na het onderzoek verwijderen we de katheter weer en bespreken we de resultaten met de patiënt.

MIBI scintigrafie

Het doel van deze “hartspierscan” is de doorbloeding van de hartspier te beoordelen en eventuele vernauwingen van de kransslagaders op te sporen.  Het is geen anatomisch, maar een functioneel onderzoek. Hierbij beoordelen we ook de pompfunctie van het hart. Vanaf middernacht blijf je hiervoor nuchter. Drink zeker geen koffie, thee, cola of chocolademelk. Water mag je wel drinken indien je medicatie moet innemen, maar bespreek dit op voorhand met de arts.

We nemen meestal twee scans: één scan in rust (die als vergelijkspunt dient) en één scan na inspanning (fietsproef) of na Persantine. Tijdens inspanning of na de toediening van Persantine gaat de doorbloeding van de hartspier toenemen. In de zone van een vernauwde kransslagader gaat de doorbloeding echter niet toenemen, integendeel. Dit ga je dan ook op de scan kunnen vaststellen. Om dit in beeld te brengen wordt tijdens het onderzoek een licht radioactieve stof via het infuus ingespoten. Deze stof (MIBI) bevat geen jodium en allergische reacties zijn zeer zeldzaam.

Persantine kan aanleiding geven tot een lichte drukking op de borst of in het hoofd en een algemeen warmte- of zwaartegevoel. Dit is van korte duur. Sommige patiënten voelen hier niets van. Indien je je ongemakkelijk voelt, dien je dat aan de aanwezige arts te melden. Na de injectie van de scanvloeistof (MIBI) volgt een pauze van 30-45min. Je dient twee bekers koud water (of melk) te drinken en zo mogelijk iets te eten. Nadien neem je plaats onder de scanner en gaat de camera gedurende 20 minuten rond je borst draaien om foto’s van jouw hart te maken. Tijdens de scan is het belangrijk dat je zo stil mogelijk blijft liggen. 

Pacemakers

Een pacemaker kan aangewezen zijn bij bepaalde vormen van abnormaal traag hartritme. De implantatie is een relatief kleine ingreep die praktisch steeds onder plaatselijke verdoving kan gebeuren. We schuiven een of meer draadjes (electroden) onder het sleutelbeen in een ader tot in de hartkamers, de pacemaker zelf wordt onder de huid geplaatst. Typische afmetingen van een moderne pacemaker zijn 5 x 5 x 0.6 cm.

Na de plaatsing van een pacemaker ben je 1 maand ongeschikt om een voertuig te besturen. Een eerste (ambulante) controle gebeurt na 4 à 6 weken, vervolgens om de 6 maanden. Na een pacemakerplaatsing kan je in principe terug een normaal leven lijden. Sterke magnetische velden moeten vermeden worden. In de praktijk is het veilig om aan een normale snelheid door een metaaldetector (luchthaven) te stappen. Vermijd wel om je GSM in de borstzak aan de zijde van de pacemaker te plaatsen. Een pacemaker heeft naast complexe elektronica ook een (niet-oplaadbare) batterij die minimum een 6 tal jaar (meestal langer) meegaat

Defibrillator (ICD)

Soms kan een samentrekking van het hart uitgelokt worden op een andere plaats dan vanuit de normale oorsprong. Dit kan een zeer snel hartritme veroorzaken. De tijd tussen de hartslagen is dan te kort om het hart weer vol bloed te laten lopen. Als er te weinig zuurstofrijk bloed naar de hersenen en het lichaam gestuurd wordt, kan dit uiteindelijk leiden tot duizeligheid, bewusteloosheid en eventueel hartstilstand en dus plotse dood. Een inwendige defibrillator of ICD kan dit voorkomen.

Deze kaart bevat alle gegevens over het type van defibrillator en de draden die je hebt. Je ontvangt hem bij het ontslag uit het ziekenhuis. Bewaar deze kaart bij jouw identiteitsbewijs. Bij opname in het ziekenhuis, ook in het buitenland, toon je de kaart aan jouw behandelende arts. Ook als je een vliegtuig neemt, moet je de kaart bij politiecontrole laten zien.

Hoe werkt een defibrillator?

Een klassieke defibrillator (T-ICD) is te vergelijken met een pacemaker: het toestelletje wordt ook links of rechts ingeplant ter hoogte van de schouderstreek en staat met één of meerdere draadjes (elektroden) in verbinding met de hartspier. Via die draadjes verwerkt het de hele dag informatie als een kleine computer. Het let er vooral op dat het hart niet te snel, te langzaam of onregelmatig slaat. Als er afwijkingen van het normale ritme zijn, worden die opgeslagen in de vorm van een ECG (elektro- cardiogram of hartfilmpje), dat waardevolle informatie voor de arts bevat. De defibrillator neemt niet alleen ritmestoornissen waar, maar treedt er ook tegen op. Hij komt in actie bij een te traag hartritme, en werkt dan als een pacemaker. De defibrillator kan ook optreden tegen een te snel hartritme: met berekende impulsen vertraagt hij het ritme. Als dit niet volstaat, geeft het toestel een krachtige stroomimpuls af: een elektrische shock. Deze shock voorkomt plotse dood.

Een nieuwer systeem van defibrillator is een onderhuids systeem (S-ICD). Hierbij schuiven we geen elektrode tot in het hart, maar plaatsen we deze onder de huid naast het borstbeen. Deze elektrode neemt dan verbinding met de ICD die onder de linker arm in de, onder de oksel geplaatst wordt.

Het grote voordeel van dit systeem is dat er geen elektroden (vreemd materiaal) in het hart geplaatst moeten worden. Dit toestel kan echter niet werken als een pacemaker bij een te traag hartritme. Bij een te snel hartritme zal het toestel een krachtige stroomimpuls afgeven (een elektrische shock) ter preventie van plotse dood.

Voorbereiding op de implantatie

Meestal word je enkele dagen op voorhand opgenomen in het ziekenhuis. We doen enkele vooronderzoeken, zoals een bloedonderzoek en een elektrocardiogram. Soms nemen we ook een foto van de longen. De verpleegkundige vult een vragenlijst in en vraagt je om een toestemmingsformulier te ondertekenen.

Tenzij anders gemeld, mag je de dag van de implantatie niets eten. Een kleine hoeveelheid water drinken om je medicatie in te nemen mag wel. Opgelet, misschien word je gevraagd bepaalde medicatie, zoals bloedverdunners, niet meer in te nemen.

De implantatie zelf

Op de dag van de implantatie prikt de verpleegkundige je een infuus om tijdens de ingreep medicatie te kunnen toedienen. Indien nodig zal hij/zij overtollig borsthaar wegscheren. Je krijgt een operatiehemd aan en wordt met je bed naar de katheterisatieafdeling gebracht. Mogelijk moet je daar nog enige tijd wachten.

Wanneer je aankomt in de zaal installeert men je op de onderzoekstafel. De arts en verpleegkundigen dragen mondmaskers en haarkapjes om je te beschermen tegen mogelijke infecties. Eerst leggen we een elektrocardiogram aan om jouw hartritme te volgen tijdens de ingreep. We brengen ook klevers aan. Daarna ontsmetten we de schouderstreek. Je krijgt een prikje met plaatselijke verdoving als het een klassieke defibrillator betreft (T-ICD).

Als de huid goed verdoofd is, wordt er een kleine insnede gemaakt van een vijftal centimeter, meestal boven de borstspier onder je sleutelbeen. Via een bloedvat worden de pacemakerdraden opgeschoven tot in de rechterkamer of de rechtervoorkamer van je hart, waar ze worden vastgeschroefd. Soms plaatsen we ook een derde draad, afhankelijk van je hartziekte. Afhankelijk van hoe snel we een goede stimulatieplaats vinden, duurt de ingreep langer. De stimulatieplaats maakt dat jouw apparaat correct werkt.  

Vervolgens hechten we de draden vast en maken we onder de huid een ruimte om de pacemaker/defibrillator in te plaatsen. Je kan dit ervaren als een kortstondig pijngevoel. Bij een defibrillator kan het zijn dat we je onder lichte verdoving brengen om de correcte werking van het toestel na te gaan. De dokter lokt een ritmestoornis bij je uit, waarop het apparaat correct moet reageren door een schokje te geven. Na een vijftal minuten word je weer wakker. Wanneer de defibrillator aangesloten is en goed werkt, sluit de arts je huid met enkele fijne draadjes of haakjes. Over de wonde kleven we een verband. Ten slotte programmeren we het toestel via de computer op jouw specifieke situatie.  

Bij een S-ICD of onderhuidse defibrillator brengt de anesthesist je onder volledige narcose. Vooraf wordt onder de linkeroksel een aftekening gemaakt waar het toestel en de onderhuidse elektrode zullen komen. Bij vrouwen wordt gevraagd om een BH mee te brengen naar de operatiekamer om de plaats van incisie hiermee op af te stemmen. Voor het S-ICD systeem wordt naast de incisie onder de linkerarm ook een kleine incisie gemaakt op het puntje van het borstbeen tegenaan de buikregio. Soms is het nodig om ook bovenaan het borstbeen een kleine incisie te maken om de elektrode te fixeren. Op het einde van de procedure zal het systeem getest worden. De dokter lokt een ritmestoornis bij je uit, waarop het apparaat correct moet reageren door een schokje te geven. 

Na de implantatie

Bij een klassieke defibrillator beperk je best het gebruik van jouw arm gedurende 2 dagen. Zo kunnen de draden in je hart zich goed vastzetten. De dag van de implantatie moet je absoluut in bed blijven en blijf je onder monitoring op de kamer. Je mag wel eten en drinken. De dag nadien krijg je een longcontrolefoto. Je blijft nog een tweetal dagen in het ziekenhuis om de werking van de defibrillator op de consultatie hartziekten te volgen. Als alles goed bevonden wordt, kan je het ziekenhuis verlaten.

Het verband laat je ter plaatse, de wondhechtingen mogen na 10 dagen door jouw huisarts of verpleegkundige verwijderd worden. We volgen je nog regelmatig op. Meestal wordt ongeveer 1 maand na de inplanting een eerste controle gepland en nadien 2 keer per jaar. Bij elke controle voeren we verschillende testen uit: controle van de draden, de batterij van het toestel en een bevraging naar eventuele hartritmestoornissen in de tussenliggende periode.

Na enkele jaren (meestal na 7 tot 10 jaar) moeten we de defibrillator vervangen. Dit is een kleine ingreep waarbij we de huid terug openmaken en de defibrillator vervangen door een nieuw toestel. De draden blijven dus ter plaatse.

Identificatiekaart

Deze kaart bevat alle gegevens over het type van defibrillator en de draden die je hebt. Je ontvangt hem bij het ontslag uit het ziekenhuis. Bewaar deze kaart bij jouw identiteitsbewijs. Bij opname in het ziekenhuis, ook in het buitenland, toon je de kaart aan jouw behandelende arts. Ook als je een vliegtuig neemt, moet je de kaart bij politiecontrole laten zien.

Leven met een defibrillator

Vlak na de implantatie vermijd je best zware inspanningen. Zodra je arts toestemming geeft, kan je jouw dagelijkse bezigheden hernemen. De eerste maand na de implantatie mag je geen extreme bewegingen met de arm aan de kant van de ICD doen. Je mag de eerste maand (in sommige gevallen de eerste drie maanden) niet zelf met een auto rijden. Nadien mag je, als jouw arts het toestaat, opnieuw autorijden (met uitzondering van bus of vrachtwagens).

Bij opname in een ziekenhuis, bij een raadpleging bij een arts of tandarts meld je steeds dat je een defibrillator hebt. Met een defibrillator is MRI (die zware elektromagnetische velden gebruikt) in sommige gevallen toegelaten wanneer het een modern systeem betreft. Oudere systemen kunnen echter niet tegen de EM-velden en mogen niet in de MRI (NMR of KST). Gewone scans kunnen wel gemaakt worden. De plaatsen die je als ICD-patient best kunt vermijden, staan in de meeste ziekenhuizen duidelijk aangegeven.

Je kan telefoneren met een GSM of een draagbaar toestel, maar houdt het toestel minstens 10 cm van je ICD. Op luchthavens loop je best niet door beveiligingspoorten of metaaldetectoren. Toon hier zeker jouw identificatiekaart aan het personeel. Huishoudelijke apparatuur vormt geen enkele bedreiging voor je ICD.

Wat als u een ritmestoornis krijgt?

Als je merkt dat je een ritmestoornis krijgt of duizelig wordt, ga dan rustig zitten. Als je uit ervaring weet dat je bewusteloos wordt bij een ritmestoornis, ga dan op de grond liggen of zitten. Vertel aan jouw omgeving waarom je dat doet.

Als je een shock van jouw defibrillator krijgt, kan je best een vroegere afspraak maken voor controle van de defibrillator. Neem hiervoor contact op met de raadpleging cardiologie tijdens de openingsuren. Als je op één dag meer dan één shock krijgt, ga je bij voorkeur naar de spoedafdeling.