Ethisch beleid

Test

Commissies

Klik hier voor meer informatie over de ethische commissie.

Afstand van organen en weefsels

Orgaantransplantaties zijn in onze huidige gezondheidszorg steeds belangrijker geworden. Door de steeds veiligere techniek, waarbij de afstootrisico’s thans veel beter onder controle kunnen worden gehouden, is een transplantatie veelal de meest efficiënte behandeling bij orgaanfalen. De populariteit van de transplantatiegeneeskunde heeft er echter wel toe geleid dat er een enorm tekort is aan donororganen en -weefsels.
In de regelgeving wordt, wat de wegname van lichaamsonderdelen betreft, volgend onderscheid gemaakt:

  • wegname van organen
  • wegname van lichaamsmateriaal (cellen en weefsels)
  • wegname van bloed
GZA heeft een ethisch beleid omtrent het weghalen van organen en weefsels

1. Wegname van organen

Orgaandonatie en –transplantatie wordt in België geregeld door de Wet van 13 juni 1986. Deze Wet werd in de loop der jaren reeds ettelijke malen aangepast aan de gewijzigde maatschappelijke, wetenschappelijke en technologische omstandigheden.

Belangrijk algemeen principe is dat orgaantransplantatie verplicht kosteloos en zonder winstoogmerk moet gebeuren. Bovendien moet orgaantransplantatie volstrekt anoniem gebeuren, met als enige uitzondering transplantatie onder levenden, wanneer de donor de ontvanger reeds kent en specifiek aan hem of haar wenst te doneren. Stelregel inzake orgaantransplantatie is alleszins het altruïsme. Zo mag er ook geen reclame voor worden gemaakt, wanneer daarbij financiële voordelen zouden worden aangeboden. Sensibilisering voor volstrekt vrijwillige en kosteloze donatie is uiteraard wel aan de orde.

Zeker tegenwoordig wordt er enorm belang gehecht aan kwaliteit en veiligheid. Zo zijn de transplantatiecentra verplicht om een kwaliteitshandboek op te stellen, waarin zij verscheidene werkprocedures moeten voorzien. Kwaliteit en veiligheid dienen gegarandeerd te worden in alle stadia van de orgaantransplantatie: donorselectie, wegneming, karakterisering, preservatie, vervoer, transplantatie, evaluatie, … Ook is er een nauwe samenwerking tussen de verscheidene transplantatiecentra onderling, en met Eurotransplant, een grensoverschrijdende instelling die de orgaantransplantatie in enkele lidstaten van de Europese Unie coördineert. Er wordt tevens aandacht besteed aan opvolging van uitgevoerde transplantaties door middel van notificatiesystemen en traceerbaarheid van gedoneerde organen en donoren, dit om de kwaliteit van het transplanteren naar de toekomst toe enkel maar te kunnen verbeteren.

Met betrekking tot orgaantransplantatie kan er een grote tweedeling worden gemaakt: transplantatie onder levenden enerzijds en transplantatie na overlijden anderzijds.

    Wegname van organen bij levenden

    Stelregel is dat organen bij levenden enkel mogen worden weggenomen bij wilsbekwame en meerderjarige personen. Wilsonbekwamen en minderjarigen kunnen derhalve geen organen doneren. Men moet immers een behoorlijk geïnformeerde toestemming kunnen geven. Een uitzondering bestaat voor broers en zussen. Zij kunnen vanaf 12 jaar aan mekaar organen doneren, in zoverre tenminste het organen betreft die kunnen regenereren (herstellen).

    De toestemming tot het wegnemen van een orgaan moet schriftelijk gebeuren. Deze toestemming kan je altijd herroepen. Het schriftelijke bewijs van de toestemming moet worden voorgelegd aan de arts die de wegneming zal verrichten.

    Iedere wegneming van een orgaan bij een levende persoon wordt bovendien voorafgegaan door een multidisciplinair overleg tussen artsen en andere zorgverstrekkers, anderen dan diegenen die de wegneming uitvoeren en anderen dan diegenen die de ontvanger behandelen.

    De arts die de wegneming verricht dient de donor voorafgaand aan de wegneming volledig in te lichten over de lichamelijke, psychische, familiale en sociale gevolgen van de wegneming. Deze arts moet bovendien vaststellen dat de donor zijn beslissing oordeelkundig en met een vaststaand altruïstisch doel heeft genomen.

    Wanneer de wegneming ernstige gevolgen kan hebben voor de donor of wanneer de wegneming betrekking heeft op organen die niet regenereren, kan de wegneming enkel worden verricht wanneer de ontvanger in levensgevaar verkeert en de transplantatie van organen van een overledene geen even bevredigend resultaat kan opleveren.

    Wegname van organen na overlijden

    Principe is dat organen bij overleden personen steeds mogen worden weggenomen voor transplantatie of voor bereiding van therapeutische bestanddelen. Het volstaat dat de overleden persoon was ingeschreven in het bevolkingsregister of meer dan zes maanden in het vreemdelingenregister.

    Het wegnemen van organen is slechts verboden indien de overleden potentiële donor tijdens zijn leven uitdrukkelijk verzet heeft geuit tegen wegneming van organen. Dergelijk verzet dient in principe te worden geuit door een verklaring af te leggen op het gemeentebestuur. Iedere wilsbekwame meerderjarige kan dergelijke verklaring afleggen. Minderjarigen en wilsonbekwamen kunnen dergelijke verklaring afleggen door het optreden van hun wettelijke vertegenwoordigers. Ook een uitdrukkelijke toestemming kan middels een verklaring op het gemeentebestuur worden geregistreerd.

    Wanneer een arts overweegt om bij een overleden persoon een orgaan weg te nemen, zal hij verplicht moeten informeren of de persoon in kwestie verzet heeft geuit. Ook wanneer er geen verklaring werd afgelegd op het gemeentebestuur zal een wegneming toch niet uitgevoerd mogen worden, wanneer de overledene op een andere wijze verzet heeft geuit en de arts hiervan kennis heeft gekregen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de overledene voor zijn overlijden mondeling aan een nabestaande zijn verzet heeft geuit. In onze ziekenhuizen wordt er hoe dan ook overleg gepleegd met de nabestaanden indien er overwogen wordt om een orgaan weg te nemen.

    Het overlijden van de donor wordt vastgesteld door drie artsen, anderen dan degenen die het orgaan wegnemen en degenen die de ontvanger behandelen. Dit overlijden moet worden vastgesteld in een proces-verbaal, met vermelding van datum, uur en wijze van vaststelling van overlijden. Het wordt ondertekend en gedurende tien jaar bewaard.

    Het wegnemen van de organen gebeurt steeds met respect voor het lichaam van de overledene. Na de wegneming wordt het lichaam van de overledene zo snel mogelijk opgebaard zodanig dat de nabestaanden kunnen groeten.

    2. Wegname van lichaamsmateriaal (cellen en weefsels)

    Wegname van lichaamsmateriaal, verschillend van organen en bloed, zoals gehoorbeentjes, heupkoppen, beenmerg, stamcellen, … wordt in België geregeld door de Wet van 19 december 2008.

    • Lichaamsmateriaal kan worden weggenomen voor therapeutische doeleinden ten behoeve van de patiënt zelf, voor donatie aan andere patiënten, voor experimenten of voor wetenschappelijk onderzoek. Het wegnemen van lichaamsmateriaal louter voor diagnostische doeleinden ten behoeve van de patiënt zelf bij wie materiaal is weggenomen en voor zover niet gebruikt voor andere doeleinden, wordt niet geregeld door de Wet van 19 december 2008.
    • Net zoals bij orgaandonatie geldt ook bij de wegname van lichaamsmateriaal de principiële kosteloosheid en afwezigheid van winstoogmerk. Diegene die lichaamsmateriaal laat wegnemen mag hiervoor geen financieel voordeel ontvangen.
    • Weggenomen lichaamsmateriaal moet worden ondergebracht in een bank voor menselijk lichaamsmateriaal (indien het lichaamsmateriaal bedoeld is voor gebruik op de mens), die moet worden uitgebaat door een ziekenhuis, dan wel in een biobank (indien het lichaamsmateriaal bedoeld is louter voor wetenschappelijk onderzoek). Er moet te allen tijde gewaakt worden over de kwaliteit van het bewaarde lichaamsmateriaal. Het lichaamsmateriaal wordt er op gecodeerde wijze bewaard. Die codering zorgt ervoor dat het lichaamsmateriaal op een veilige manier wordt bewaard, maar dat de donor, indien nodig, steeds terug kan worden getraceerd, bijvoorbeeld om belangrijke informatie betreffende zijn gezondheidstoestand mee te delen, waarop de donor overigens steeds recht heeft.

    Net zoals bij de wegname van organen kan er bij wegname van lichaamsmateriaal een tweedeling gemaakt worden tussen wegneming bij leven en wegname na overlijden:

    Wegname van lichaamsmateriaal bij leven

    Regel is dat enkel een wilsbekwame meerderjarige lichaamsmateriaal kan laten wegnemen. Deze meerderjarige moet bovendien voorafgaandelijk en schriftelijk zijn toestemming verlenen. Wilsonbekwamen en minderjarigen kunnen in principe dus geen lichaamsmateriaal laten wegnemen (behalve voor hun eigen behandeling), aangezien zij geen behoorlijk geïnformeerde toestemming kunnen geven. De toestemming moet worden gedateerd en ondertekend door de donor. Het origineel van de toestemming moet in het dossier van de donor bewaard worden.

    Minderjarigen en wilsonbekwamen kunnen toch donor zijn, wanneer de wegname van de weefsels normalerwijze geen ernstige gevolgen kan hebben voor de donor en wanneer het weefsels betreft die regenereren (herstellen).

    Indien de wegneming van weefsels ernstige gevolgen kan hebben voor de wilsbekwame meerderjarige donor, of wanneer de wegneming betrekking heeft op weefsels die niet regenereren, kan de wegneming alleen worden verricht indien de ontvanger in levensgevaar verkeert of indien het verwachte voordeel het risico aanvaardbaar maakt.

    De toestemming tot het wegnemen van weefsels kan te allen tijde worden ingetrokken, alvorens het lichaamsmateriaal enige handeling heeft ondergaan na de wegneming.

    Indien handelingen of analyses met betrekking tot het weggenomen lichaamsmateriaal betekenisvolle informatie opleveren voor de gezondheidstoestand van de donor, heeft deze donor recht op die informatie. Om die reden dient de bank voor menselijk lichaamsmateriaal steeds de traceerbaarheid te waarborgen. Via een beveiligde codering moet steeds de identiteit van de donor kunnen worden achterhaald.

    Indien overwogen zou worden om het weggenomen lichaamsmateriaal niet te gebruiken waarvoor het werd weggenomen, bijvoorbeeld voor donatie aan een andere patiënt (primair gebruik: gebruik waartoe de donor zijn toestemming verleende), maar bijvoorbeeld voor een experiment (secundair gebruik: gebruik waartoe de donor initieel niet zijn toestemming verleende), moet in de regel opnieuw de toestemming van de donor bekomen worden. Hierop bestaat o.a. een uitzondering voor residuair lichaamsmateriaal (overschotten van lichaamsmateriaal dat werd weggenomen met therapeutische doeleinden voor de donor zelf) in het kader van wetenschappelijk onderzoek. De donor wordt geacht toe te stemmen indien hij niet zijn weigering bekendmaakt voor enige handeling met het residuair lichaamsmateriaal wordt aangevangen.

    Wegname van lichaamsmateriaal na overlijden

    Wat wegneming van lichaamsmateriaal na overlijden betreft, verwijst de Wet van 19 december 2008 terug naar de Wet van 13 juni 1986 met betrekking tot de orgaandonatie. Hier kan dan ook worden verwezen naar hetgeen hierboven reeds werd uiteengezet.

    3. Wegname van bloed

    Wegneming van bloed en bloedderivaten wordt in België geregeld door de Wet van 5 juli 1994. Dezelfde grote principes als hiervoor vermeld zijn hier van toepassing.

    Bloed mag enkel worden afgenomen van meerderjarigen die hun toestemming hiertoe hebben gegeven en die er niet voor vergoed worden. Bloedafname kan principieel ook enkel bij levenden gebeuren (in tegenstelling tot wegneming van organen en lichaamsmateriaal). Bloedafname bij minderjarigen is slechts mogelijk in geval van uiterste medische noodzaak, met de schriftelijke en ondertekende toestemming van de ouders of de wettelijke vertegenwoordiger, en mits toelating van een arts van een bloedinstelling. Wanneer de minderjarige zelf ook in staat is een toestemming of advies te geven, moet de arts deze inwinnen.

    De identiteit van de donor en de ontvanger mag niet worden meegedeeld, behalve in geval van uiterste medische noodzaak. Anonimiteit wordt dus gewaarborgd. Wel moet de traceerbaarheid steeds worden gewaarborgd: een donor moet steeds kunnen worden geïdentificeerd, zo nodig.

    Vrijheidsbeperkende maatregelen

    Wanneer je partner, familielid of vriend(in) wordt opgenomen binnen GZA Ziekenhuizen en de hospitalisatie zorgt voor verwarring en onrust, willen wij de persoon in kwestie zo goed mogelijk helpen en beschermen tegen mogelijke gevaren. Als je vragen zou hebben over onze procedure hierover, kan je je steeds richten tot een verpleegkundige.

    Dit doen we door vrijheidsbeperkende maatregelen in acht te nemen of kortweg fysieke fixatie. Zo kunnen we de bedsponden optrekken, een gordel om de lenden, een band aan hand en voet vastmaken of een voorzettafel plaatsen om te verhinderen dat je partner, familielid of vriend(in) valt.

      Verpleegster binnen de materniteit

      Dit is zowel voor de patiënt als voor de zorgverlener een ingrijpende gebeurtenis. Daarom proberen we eerst een alternatief te zoeken, bijvoorbeeld een voorwerp vasthouden, rondwandelen, aanwezigheid van een vertrouwde persoon, enzovoort. Omdat wij binnen GZA Ziekenhuizen de zorg veiliger willen maken, houden we rekening met twee belangrijke principes:

      • we fixeren liever niet en alleen als het echt niet anders kan;
      • alle verpleeg- en zorgkundigen fixeren op een veilige manier, volgens de opleiding die zij hierover hebben gekregen en de neergeschreven richtlijnen die ze ten allen tijde kunnen raadplegen.

      Onder fixatie of vrijheidsbeperkende maatregelen verstaat men elk middel dat hetzij direct, hetzij indirect bij een individu wordt toegepast met als doel diens bewegingsvrijheid te beperken.

      (Gallinagh et al., 2001)

      Hoe beslissen?

      De beslissing om al dan niet te fixeren wordt niet snel genomen. Een verpleegkundige zal eerst de algemene toestand van de patiënt beoordelen. Hij/zij zal nagaan of er maatregelen nodig zijn en/of er alternatieven bestaan. Als we beslissen om over te gaan tot fixatie, is dit uiteraard steeds een tijdelijke maatregel.
      Enkel wanneer het echt niet anders kan, gaat de verpleging over tot de voor de situatie meest gepaste fixatie. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen urgente en niet-urgente situaties.

      De patiënt is beslissingsonbekwaam

      In geval van een beslissingsonbekwame patiënt. Deze berust op een klinische beoordeling van de behandelend geneesheer, die indien nodig het advies inwint van een collega of van een psychiater. Een beslissingsonbekwame patiënt is op het ogenblik van evaluatie mentaal en/of fysiek niet in staat om:

      • de verstrekte informatie te begrijpen
      • of inzicht te verwerven in de aard van de situatie
      • of inzicht te verwerven in de gevolgen van zijn besluit

      De wet betreffende de rechten van de patiënt stelt dat men dan terugvalt op respectievelijk een voorafgaande wilsverklaring of een door de patiënt zelf op voorhand benoemde vertegenwoordiger of een wettelijke vertegenwoordiger van de patiënt. Mogelijke vertegenwoordigers zijn:

      • echtgenoot, de wettelijk of feitelijk samenwonende partner
      • meerderjarig kind
      • ouder
      • meerderjarige broer of zus

      De patiënt is beslissingsbekwaam

      Bij de beslissingsbekwame patiënt is toestemming vereist alvorens over te gaan tot vrijheidsbeperking. Indien de verpleegkundige de noodzaak tot vrijheidsbeperking vaststelt bij een wilsbekwame patiënt die weigert, pleegt hij/zij overleg met de geneesheer. De patiënt moet op voorhand maximaal ingelicht zijn over de verschillende keuzemogelijkheden en de gevolgen van bv. het fixeren of niet fixeren. Als de beslissingsbekwame patiënt de fixatie blijft weigeren, wordt dit geëerbiedigd en de beslissing genoteerd in het patiëntendossier.

      Alles wordt steeds nauwkeurig gedocumenteerd in het verpleegdossier en regelmatig geëvalueerd.

      Prikkelarme kamers

      Een alternatieve oplossing in plaats van de patiënt te fixeren is een prikkelarme kamer. Op de PAAZ beschikken we over een speciaal voorziene prikkelarme kamer, waar we patiënten kunnen onderbrengen om tot rust te komen zonder over te gaan tot fixatie.

      Dwangmedicatie

      Medicatietoediening gebeurt in overleg met de patiënt. Goede psycho-educatie hierover zorgt ook voor een betere therapietrouw. In sommige situaties, waarbij de patiënt zijn eigen leven of dat van anderen in gevaar kan brengen, kan het noodzakelijk zijn medicatie toe te dienen zonder expliciete toestemming van de patiënt.

      Verhoogd toezicht, opvolging van vitale parameters, klinisch beeld en gedrag horen bij dit beleid. Contact houden met familie en/of naasten is in deze ook cruciaal.

      Net zoals bij het fixatie en isolatiebeleid, zal ook noodmedicatie zo kort mogelijk worden gebruikt. Zodra overleg met de patiënt tot stand kan komen, zal elk voorstel tot medicatiebeleid met de patiënt besproken worden.